Bloedmaan: waarom de maan rood wordt tijdens een totale maansverduistering

De maan wordt rood tijdens een totale maansverduistering. Maar als de maan zich volledig in de schaduw van de aarde bevindt, hoe wordt zij dan rood?

De atmosfeer van de aarde werkt als een gigantische lens en breekt een deel van het zonlicht richting het oppervlak van de maan.

Wanneer een totale maansverduistering plaatsvindt, bevindt de maan zich volledig in de kernschaduw van de aarde en krijgt deze geen direct licht van de zon. De maan is echter niet helemaal donker tijdens een totale maansverduistering; een deel van het zonlicht penetreert de atmosfeer van de aarde en wordt gebroken richting de op dat moment verduisterde maan.

Zonlicht is samengesteld uit verschillende kleuren met verschillende golflengtes. Deze kleuren kunnen zichtbaar gemaakt worden met een prisma of bijvoorbeeld door de regendruppels in een regenboog. Wanneer zonlicht de dampkring van de aarde binnenkomt, wordt het beïnvloed door een fenomeen dat de Rayleigh-verstrooiing wordt genoemd. Kleuren binnen het blauwe spectrum worden meer verspreid dan kleuren binnen het rode spectrum. Daarom wordt het licht dat het oppervlak van de maan bereikt, gedomineerd door een roodachtig deel van het zonlicht. De blauwe componenten worden ‘achtergelaten’ in de atmosfeer van de aarde en zijn de reden achter de blauwe kleur van onze lucht.

Hetzelfde fenomeen schuilt ook achter de romantische rood-oranje lucht wanneer de zon laag aan de hemel staat, of bij zonsopgang en zonsondergang.

Referenties

Selenelion: het fenomeen waar de zon en de maan zichtbaar zijn tijdens een totale maansverduistering

Een selenelion treedt op tijdens een (totale) maansverduistering, en dit wanneer de zon en de maan beide boven de horizon worden waargenomen. Een fenomeen dat geometrisch onmogelijk is. Atmosferische refractie echter buigt lichtstralen naar het aardoppervlak af waardoor het beeld van zowel zon als maan wordt verheven zodat beide boven de horizon zichtbaar worden.

Platte Aarders beweren dat een selenelion niet mogelijk is als de aarde een bol is, omdat tijdens een maansverduistering de zon en de maan op een rechte lijn staan. In een dergelijke configuratie, die door astrologen een syzygie wordt genoemd, zouden zowel de zon als de maan niet tegelijkertijd zichtbaar mogen zijn. In werkelijkheid is een selenelion perfect mogelijk omdat de dampkring van de aarde licht breekt.

Als gevolg van deze straalbreking is de werkelijke positie van de maan tot ongeveer 0,6° lager dan waar hij verschijnt. En hetzelfde gebeurt met de zon aan de andere kant van de hemelboog.

Dit fenomeen wordt ‘selenelion’ of ‘selenehelion’ genoemd. Het is een zeldzaam fenomeen om waar te kunnen nemen en kan alleen op een specifieke locatie en tijd plaatsvinden, maar dus niet onmogelijk.

Schemeringsstralen

Sommige Platte Aarders beschouwen schemeringsstralen (ook bekend als convergerende zonnestralen, jakobsladders, God’s vingers, wolkenstralen, crepusculaire stralen en zonneharpen) als bewijs dat de zon dichtbij staat. In hun verbeelding cirkelt de zon slechts 5.000 km boven ons. In werkelijkheid is de afstand tot de zon ongeveer 150.000.000 km.

De schemeringsstralen zijn een perspectief-effect; de zonnestralen lopen in werkelijkheid praktisch parallel. Ze lijken uiteen te lopen vanwege een perspectief-illusie. Hetzelfde effect zien we bij spoorwegen die naar een punt lijken te convergeren, terwijl we in feite zeker weten dat ze parallel zijn. De verwarring omtrent de uiteenlopende zonnestralen ontstaat waarschijnlijk omdat we ze, in tegenstelling tot spoorbanen, nooit vanuit een ander gezichtspunt hebben gezien.

Als we richting van de de zonnestralen extrapoleren, zullen deze uiteraard convergeren naar een punt waar de zon zich in het beeld bevindt of zou moeten bevinden. Maar onthoud dat het beeld tweedimensionaal is. We kunnen de afstand van de zon niet afleiden uit de afbeelding. Volgens het beeld alleen kan de zon overal zijn, van dichtbij tot veraf. Het beeld zelf is nog steeds een tweedimensionale projectie van een driedimensionale ruimte.

Met dezelfde logica zouden we aan de hand van enkele foto’s van zonneharpen kunnen concluderen dat de zon zich in werkelijkheid onder de grond, achter een boom of net boven het wateroppervlak bevindt. Gelukkig beseffen we allemaal dat dit niet waar kan zijn.

Ruimtevaart en de temperatuur in de thermosfeer

De thermosfeer is een laag van onze atmosfeer en bevindt zich tussen een hoogte van ongeveer 95 km en 600 km. Deze laag wordt ‘thermosfeer’ genoemd omdat de temperatuur toeneemt met de hoogte en deze kan wel 2500°C bereiken. De luchtdichtheid is er echter erg laag; tot het punt dat warmtegeleiding praktisch niet optreedt. Voorwerpen in de thermosfeer voelen dan ook koud aan.

Platte Aarders ontdekten dat de temperatuur in de thermosfeer 2500°C kan bereiken en voegden dit toe aan hun lijstje van redenen waarom satellieten niet bestaan. Ze zouden immers smelten! De andere informatie die minstens even belangrijk is, negeren ze echter met plezier: dat de luchtdichtheid er ook veel lager is.

De massa van de atmosfeer van de aarde is geconcentreerd in de onderste lagen, het dichtst bij de aarde zelf. 90% van alle massa bevindt zich onder de 16 km. 99,9999% zit onder de 100 km. De thermosfeer zelf begint vanaf 95 km en eindigt op ongeveer 600 km. Slechts 0,002% van de massa van de atmosfeer van de aarde bevindt zich in de thermosfeer.

Warmteoverdracht is recht evenredig met het verschil in temperatuur en massa. Luchtmoleculen in de thermosfeer hebben soms een 10 keer hogere temperatuur dan aan het aardoppervlak. Maar tegelijkertijd is de dichtheid 10.000.000.000.000 keer lager. Hierdoor heeft het minder energie per volume-eenheid in vergelijking met ons lichaam, waardoor de thermosfeer koud aanvoelt en een gewone thermometer zal onder 0°C aangeven.

Deze situatie kunnen we vergelijken met het moment wanneer we getroffen worden door hete frituurolie. Meestal is dit geen groot probleem. De opspattende olie heeft dezelfde temperatuur als de kokende olie in de ketel en kan tot 200°C bereiken! Maar tegelijkertijd heeft het weinig massa, in tegenstelling tot de olie in de pan. Steek dus nooit je hand in de frietketel, maar panikeer niet bij een paar spatjes.

De stoom in sommige sauna’s kan 100°C bereiken, net als kokend water. Maar we voelen veel minder warmte van een heerlijke sauna dan van niet zo heerlijk kokend water. De reden is dat de dichtheid van stoom veel lager is dan die van water in vloeibare vorm. Alweer een wijze raad: ga nooit ontspannen in een bad kokend water. Kies voor de sauna.

Nog eentje om het af te leren? Vonken die worden geproduceerd door vuurstenen, slijpschijven of feeststerretjes kunnen temperaturen tot 1600°C bereiken! Maar voor ons vormen ze meestal geen groot probleem omdat hun massa minuscuul is in vergeleken met die van ons lichaam.